Introductie

Lees ter introductie het prentenboek voor. Indien er vluchtelingen in de groep of in de omgeving van de school zijn, maak dan een verbinding tussen het verhaal en deze context. 

Beschrijving

Op een dag verschijnt er een vreemd dier. Hij heeft alleen een koffer bij zich. Iedereen barst van de vragen. ‘Wat komt hij doen?’ ‘Waar komt hij vandaan?’ ‘En wat zit er in die koffer?’
Een hartverwarmend verhaal vol hoop en vriendelijkheid over hoe we omgaan met mensen in de nood.

Begrijpend luisteren

Ga na of de leerlingen het verhaal hebben begrepen. Stel eventueel een paar helpende vragen ter verduidelijking:

  • Wat denk je dat er met het vreemde dier aan de hand is?
  • Wat hebben de andere dieren gedaan?
  • Vind je het goed wat ze gedaan hebben?
Gespreksregels

Leid het filosoferen in en benoem de gespreksregels in de kring.

Filosofische vragen

  • Ben jij weleens verhuisd? Is verhuizen hetzelfde als vluchten?
  • Ken je iemand die gevlucht is? Heb je weleens een vluchteling ontmoet? 
  • Wat is een vluchteling? Waarom vluchten mensen?
  • Mogen mensen die vluchten zelf kiezen waar ze willen wonen? Waarom denk je dat?
  • Wat kunnen we doen voor mensen die naar Nederland vluchten? 
  • Hoe kun je ervoor zorgen dat iemand zich thuis voelt?
Afsluiting en verwerking

Sluit het gesprek af met een korte samenvatting. Ter verwerking kunnen de leerlingen concrete acties bedenken die zij kunnen doen om een ander (een vluchteling) een warm welkom te bieden. Denk aan het schrijven van een kaartje, het maken van een tekening, een welkomsbericht op het prikbord of het inrichten van het tafeltje van een nieuwe leerling. 
Of zij kunnen in een koffer onder deze link tekenen wat ze zelf zouden meenemen om zich ergens thuis te voelen.

Verantwoording

Titel: De koffer
Schrijver: C. Naylor-Ballesteros
Uitgeverij: Gottmer, Haarlem 2020.

Introductie

Vertel ter introductie op de les het sprookje van de drie biggetjes. Gebruik de onderstaande synopsis van het verhaal ter voorbereiding en vertel vervolgens uit het hoofd. Geef je eigen invulling en gebruik je stem, mimiek en gebaren om het verhaal te ondersteunen. Laat de leerlingen meedoen, bijvoorbeeld door te blazen zoals de wolf, of door te rennen op de plaats wanneer de biggetjes op de vlucht slaan.

Synopsis van ‘De drie biggetjes’

Moeder varken stuurde haar drie jongen de wijde wereld in om zelfstandig te worden en in een eigen huis te gaan wonen. Het eerste biggetje bouwde een huisje van stro. De boze wolf kwam langs en wilde naar binnen (om het biggetje op te eten). Dat liet het biggetje niet toe, maar de wolf blies het huis omver. Het biggetje sloeg op de vlucht en ging snel naar één van zijn broers. Die had een huisje gebouwd van hout. Ook daar kwam de boze wolf langs. Hij wilde naar binnen, maar dat mocht niet van de biggetjes. De wolf blies ook dit huis omver en de biggetjes vluchtten naar het huis van hun derde broer. Die had een huisje gebouwd van steen. De wolf kwam langs en wilde naar binnen – dat mocht niet van de biggetjes. De wolf probeerde het huisje omver te blazen, maar het was te sterk. De boze wolf klom op het dak en liet zich door de schoorsteen naar binnen glijden. Daar hadden de biggetjes een grote pan klaarstaan om de wolf in te vangen. Ze riepen de boswachter, die de wolf achter slot en grendel zette. De biggetjes waren veilig en woonden nog lang en gelukkig in het stenen huisje.

Begrijpend luisteren

Vraag na of leerlingen het goed kunnen volgen en begrijpen. Stel eventueel een paar helpende vragen:

  • Waarvan hadden de biggetjes hun huisje gebouwd?
  • Wat kwam de wolf doen bij de biggetjes?
  • Waren de biggetjes slimmer dan de wolf? Waarom denk je dat?
  • Waar waren de biggetjes veilig? Hoe komt dat?
Gespreksregels

Benoem voor de kleuters bij elk gesprek opnieuw wat de werkwijze en het doel van het filosoferen is, bijvoorbeeld: Er zijn vragen waar we samen over nadenken. We vertellen elkaar in de kring wat we denken. Alle antwoorden zijn goed en iedereen doet mee.

Geef enkele eenvoudige gespreksregels aan.

Filosofische vragen

Denk samen na aan de hand van (enkele) van de onderstaande vragen.

  • Waar voel jij je veilig?
  • Wat heb je nodig om je veilig te voelen?
  • Wat betekent veilig?
  • Als je je niet veilig voelt, wat voel je dan?
  • Kun je bang zijn, terwijl je weet dat je veilig bent? Hoe kan dat?
  • Kun jij ervoor zorgen dat iemand zich veilig voelt? Op welke manier? Of: waarom niet?
Afsluiting en verwerking

Sluit het gesprek af met een korte samenvatting.
Ter verwerking kunnen de leerlingen een tekening maken van het huisje dat zij zouden bouwen, zoals de biggetjes in het sprookje. Schrijf er eventueel bij waar het van gemaakt is, zodat de leerlingen nog verder kunnen nadenken en vertellen over de vraag wanneer een huisje stevig en veilig is.

Introductie

Lees ter introductie het onderstaande gedicht voor. Doe het eventueel twee keer, zodat alle leerlingen het goed kunnen volgen.

Kiezen

ik mag kiezen wat we eten
maar ik weet het nu nog niet
misschien maakt mama macaroni
en anders kies ik friet

 

ik mag zeggen wat ik mooi vind
maar ik twijfel nog teveel
misschien neem ik de rode schoenen
en anders kies ik geel

 

ik mag zeggen, ik mag kiezen
maar soms heb ik geen idee
misschien vraag ik eerst wat jij leuk vindt
en dan zeg ik: nee!

Gespreksregels

Leid het filosoferen in en benoem de gespreksregels in de kring.

Filosofische vragen

Denk samen na aan de hand van (enkele van) de volgende vragen.

  • Wat is kiezen?
  • Mag jij wel eens zelf kiezen? Wat mag jij zelf kiezen?
  • Wat kiest mama of papa of de juf/meester voor jou?
  • Is het fijner om zelf te kiezen, of als een ander het voor je doet?
  • Is het soms moeilijk om zelf te kiezen?
  • Kiezen tussen bloemkool of pannenkoeken – is dat moeilijk of makkelijk? Waarom?
  • Kiezen tussen een rode trui of een blauwe – is dat moeilijk of makkelijk? Waarom?
  • Kiezen tussen een lolly of een ijsje – is dat moeilijk of makkelijk? Waarom?
  • Kun je verkeerd kiezen? Wat gebeurt er dan?
Afsluiting en verwerking

Sluit het gesprek af met een korte samenvatting.
Speel ter verwerking het kringspel ‘Wij gaan op berenjacht’. (Je kunt dit eventueel doen aan de hand van het gelijknamige boek van M. Rosen, maar let er dan op dat je steeds een keuzemoment voor de groep in het verhaal inbrengt, aansluitend bij het gespreksonderwerp van deze les.)

Herhaal met de kinderen de volgende frase terwijl je speelt dat je onderweg bent en stevig doorstapt:

Wij gaan op berenjacht
Het is een mooie dag
We zijn niet bang!

 

Telkens ontmoet de groep een hindernis, zoals hoog, kriebelend gras, een diepe, koude rivier, een storm, een donker woud of een modderpoel. Laat steeds één van de kinderen kiezen hoe jullie deze hindernis nemen en beeld de gekozen oplossing samen uit. Wanneer de groep bij een grot komt en daar een beer aantreft, ga je op een holletje terug (want we zijn tòch bang), opnieuw langs alle hindernissen, tot je weer veilig in de klas bent.

Verantwoording

Gedicht: J. Wagensveld

Boek: Wij gaan op berenjacht
Schrijver: M. Rosen
Uitgeverij: Gottmer (Haarlem, 2019).

Aanwijzing voor de gespreksleider

Respect is een begrip dat in de eenentwintigste eeuw onder invloed van de rapcultuur met name onder jongeren een wat gewijzigde betekenis heeft gekregen. Betekende het van oorsprong ‘waardering’ of ‘eerbied’, tegenwoordig kan het ook ‘bewondering’ of ‘ontzag’ betekenen. Beide betekenissen kunnen een rol spelen in dit gesprek, omdat de leerlingen bepalen vanuit welke definitie zij het gesprek voeren.

Introductie en startvragen

Introduceer het gespreksonderwerp en begin de les met de volgende een aantal startvragen.

Laat de leerlingen individueel een antwoord bedenken op de eerste startvraag:

  • Voor wie heb jij respect?

Vraag de leerlingen vervolgens om in tweetallen of tafelgroepjes na te denken over de tweede startvraag.

  • Wat is respect?

Verzamel de antwoorde in een woordweb op het bord rondom het woord ‘respect’.
Ga vervolgens in de kring.

Gespreksregels

Leid het filosoferen in en benoem de gespreksregels in de kring.

Filosofische vragen

Filosofeer aan de hand van (enkele van) de volgende vragen.

  • Hoe voelt het als iemand respect voor je heeft, of als jij respect hebt voor iemand?
  • Kun je mensen respecteren die heel anders zijn dan jij? Hoe doe je dat? Of: waarom niet?
  • Wat betekent zelfrespect?
  • Kunnen zelfrespect en respect voor anderen je helpen om goed te starten op de middelbare school?
    Zo ja, op welke manier?
Afsluiting en verwerking

Sluit het gesprek af met een korte samenvatting.

Ter verwerking, en om de intensieve concentratie van het filosoferen af te schudden, kan de groep dansen en zingen bij het lied ‘Respect’ (of één van de remixes op Youtube) van Aretha Franklin.

Introductie

In deze les gaat het over zelfbeheersing. De leerlingen onderzoeken wat zelfbeheersing is en wanneer dat nodig is.
Bekijk ter introductie dit filmpje op SchoolTV, waarin kort wordt uitgelegd waardoor hevige emoties ontstaan en hoe je ze kunt beheersen.

Startvraag

Vraag de leerlingen eerst om individueel op papier, antwoord te geven op de volgende startvraag.

  • Wat is zelfbeheersing? Wat betekent dit woord?

Laat de leerlingen hun antwoorden in tweetallen te vergelijken en bespreken. Komen ze er niet uit? Laat ze dan het woordenboek raadplegen voor een definitie.
Ga vervolgens in de kring.

Gespreksregels

Leid het filosoferen in en benoem de gespreksregels in de kring.

Filosofische vragen

Filosofeer samen aan de hand van (enkele van) de volgende vragen:

  • Wanneer heb jij wel eens zelfbeheersing nodig gehad? Kun je een voorbeeld geven?
  • Om welke emoties gaat het in deze voorbeelden? Welke gevoelens probeer je in het voorbeeld te beheersen?
  • Zijn er nog andere emoties te bedenken waarbij je zelfbeheersing nodig kan hebben?
  • Waaraan merk je zelfbeheersing bij iemand?
  • Heeft iedereen evenveel zelfbeheersing? Waar hangt dat vanaf?
  • Kun je zelfbeheersing oefenen of leren? Hoe doe je dat?
  • Is het goed of belangrijk om zelfbeheersing te hebben? Waarom (niet)?
  • Is het in sommige situaties beter om je gevoelens juist wel te uiten? Wanneer is het beter om je niet in te houden?
Afsluiting en verwerking

Sluit het gesprek af met een korte samenvatting.

Ter verwerking kun je met de groep een ontspanningsoefening doen, waarbij zij ervaren dat je met korte lichamelijke oefeningen boosheid en stress kunt verminderen – een manier van zelfbeheersing. Denk bijvoorbeeld aan een ademhalingsoefening, waarbij je vier tellen inademt en vervolgens de adem vier tellen vasthoudt. Adem in vier tellen uit en neem vier tellen ‘adempauze’ voor je weer opnieuw inademt. Herhaal deze ademronde ca. zes keer. Evalueer hoe de leerlingen zich na afloop voelen.
Of volg een korte yoga-videoles in de klas, zoals bijvoorbeeld deze (link) van yogawithadriene.com. (In het Engels, maar door het nadoen van de houdingen goed te volgen).

Introductie

Bekijk ter introductie de volgende sketch uit Het Klokhuis (‘Bezorgde Ouders van Nederland: Help! Mijn kind heeft een eigen mening’).

Startvragen

Vraag de leerlingen in tweetallen de volgende startvraag te bespreken.

  • Verschil jij weleens met je ouders van mening? Waarover bijvoorbeeld? En wat gebeurt er dan?

Filosofische vragen

Filosofeer samen aan de hand van (enkele van) de volgende vragen.

  • Heb jij een eigen mening? Wat betekent dat, een eigen mening?
  • Heb je overal een mening over? Over welke dingen heb je vooral een mening?
  • Durf je te zeggen wat je denkt? Wanneer wel, wanneer niet? En waarom (niet)?
  • Wat kan er gebeuren als je zegt wat je denkt?
  • Kun je een verkeerde mening hebben? Waarom (niet)?
  • Wat betekent ‘vrijheid van meningsuiting’?
  • Heb je op thuis, op school en op straat vrijheid van meningsuiting? En online?
  • Denk je dat er overal vrijheid van meningsuiting is?
Afsluiting en verwerking

Sluit het gesprek af met een korte samenvatting. Ter verwerking kun je de leerlingen vragen hun eigen mening te geven over het gesprek. Deze opdracht brengt het formuleren van een mening in de praktijk en geeft je inzicht in de leerlingen het filosoferen ervaren.
Vraag de leerlingen om op papier de volgende zin af te maken: “Ik vond het (g)een goed gesprek, omdat…. “. Voeg daar de volgende opdracht aan toe: Geef je mening op een vriendelijke, respectvolle manier en leg goed uit waarom je er zo over denkt. Je geeft op deze manier vrijheid en begrenzing tegelijkertijd. Loop tijdens deze opdracht rond en moedig de leerlingen aan om goed te argumenteren en formuleren. Help ze daarbij waar nodig.

Aanwijzing voor de gespreksleider

In sommige groepen zouden de startvragen vrij veel tijd kunnen innemen. Dat hangt af van hoe concreet er al groepswaarden en groepsregels bestaan op school. Soms lezen de kinderen ze direct op of kunnen ze uit het hoofd opnoemen. In andere groepen is dit echt een moment van onderzoek. Splits in dat geval de les eventueel in twee delen en vervolg op een later moment met het gesprek in de kring.

Startvragen

Laat de leerlingen de eerste startvraag individueel, op papier, beantwoorden:

  • Wat vinden we belangrijk/waardevol in onze groep? Waar zijn onze waarden? Schrijf er eens een paar op.

Inventariseer de antwoorden en vraag vervolgens aan de groep:

  • Kunnen jullie met elkaar tot een top 5 van waarden komen?
  • Welke regels en gedragingen (normen) horen er bij jullie top 5-waarden?

Praat vervolgens in de kring verder aan de hand van de filosofische vragen.

Filosofische vragen

  • Hoe weten we wat belangrijk is, oftewel wat onze waarden zijn?
  • Van wie of waardoor leren we dat?
  • Waaraan merk je wat de waarden van een persoon of groep zijn?
  • Kunnen verschillende mensen of groepen mensen heel verschillende waarden hebben?
    Hoe kan dat? Of waarom niet? Kun je een voorbeeld bedenken?
  • Is het nodig om je waarden of de waarden van een groep te kennen?
  • Wat zou er kunnen gebeuren als je op een plek of in een groep komt, waarvan je de normen en waarden niet kent?
Afsluiting en verwerking

Sluit het gesprek af met een korte samenvatting. Ter verwerking kunnen de leerlingen (in tafelgroepjes) posters maken met daarop de belangrijkste waarden van de groep. Geef deze posters een plek in het klaslokaal.

Introductie

Laat de leerlingen eerst de startvragen in tweetallen of tafelgroepjes bespreken:

  • Mag jij vaak zelf bepalen wat je doet?
  • Wat mag je zelf bepalen? En wat juist niet?

Inventariseer klassikaal kort wat er is uitgewisseld. Ga daarna in de kring om te filosoferen.

Gespreksregels

Leid het filosoferen in en benoem de gespreksregels in de kring.

Filosofische vragen

Filosofeer aan de hand van (enkele van) de volgende vragen:

  • Als je iets zelf mag bepalen, ben je dan ook zelf verantwoordelijk?
  • Wat betekent verantwoordelijkheid?
  • Waarvoor ben jij verantwoordelijk?
  • Wie is er verantwoordelijk voor jou? Waaraan merk je dat?
  • Hoe voelt het om ergens verantwoordelijk voor te zijn?
  • Als er ergens weinig regels zijn, heb je dan meer vrijheid of meer verantwoordelijkheid?
  • Wat heb je nodig – wat moet je kunnen – om verantwoordelijk te kunnen zijn?
Verwerkingsopdracht

Sluit het gesprek af met een korte samenvatting.
Vraag de leerlingen vervolgens om verlanglijstje te maken van verantwoordelijkheden – met daarop de dingen waarvoor zij graag verantwoordelijkheid zouden willen dragen. Geef geen suggesties, maar wacht af waar de leerlingen zelf mee komen en laat ze bij onzekerheid of onduidelijkheid elkaar helpen.
Geef de lijstjes een plek op een prikbord.

Toelichting

Cultuur en religie bepalen hoe we denken, hoe we ons gedragen, wat we eten, welke kleding we dragen, wat we normaal vinden of juist niet. Soms zijn cultuur en religie heel duidelijk aanwezig: dan ben je je ervan bewust dat je een bepaalde culturele achtergrond hebt (bijvoorbeeld als nieuwkomer in Nederland) of neemt je geloof een belangrijk plek in in je leven. Wie geen religie aanhangt en bij de cultuur van de meerderheid hoort, is zich waarschijnlijk veel minder bewust van zijn normen, gewoontes en overtuigingen. In dit gesprek gaan alle leerlingen op zoek naar hun culturele identiteit en levensovertuigingen.

Introductie

Benoem het onderwerp van gesprek. Je kunt dit eventueel al eerder in de week doen en de leerlingen vragen vast na te denken en thuis te bespreken welke kenmerken horen bij hun cultuur of geloof.

Startvragen

Vraag de leerlingen om in tweetallen te brainstormen over de eerste startvraag.

  • Bedenk drie dingen die horen bij de Nederlandse cultuur. Denk aan het eten, kleding, feesten, tradities, manieren van wonen, manieren van omgaan met elkaar etc.

Maak een woordweb op het bord waarin je de antwoorden van de leerlingen verzameld.

Vraag vervolgens de leerlingen om individueel een antwoord op te schrijven op de tweede startvraag.

  • Bedenk twee dingen die horen bij jòuw cultuur of geloof.

Geef willekeurig enkele leerlingen een beurt om hun antwoord op deze vraag te delen.
Ga na of er leerlingen zijn die geen antwoord hebben kunnen bedenken. Stel deze leerlingen èn de groep de vraag hoe dat kan. Bestaan er mensen zonder cultuur of geloof? Of hoort iedereen toch ergens bij? Zou het kunnen dat je je eigen cultuur zo normaal vindt, dat je daardoor geen voorbeeld kunt bedenken?

Gespreksregels

Leid het filosoferen in en benoem de gespreksregels in de kring.

Filosofische vragen

Denk samen na aan de hand van (enkele van) de volgende vragen.

  • Ben je weleens te gast geweest in een andere cultuur? Hoe was dat?
  • Wat is cultuur eigenlijk?
  • Wat is het verschil tussen iemands cultuur en iemands geloof? Zijn er ook overeenkomsten?
  • Welke invloed heeft je cultuur en/of je geloof op wie je bent?
  • Is Nederland een land van veel verschillende culturen en religies? Waarom denk je dat?
Afsluiting

Sluit het gesprek af met een korte samenvatting.

Ter verwerking kan de groep de culturele en religieuze diversiteit van de groep in beeld brengen, door één van de kenmerken uit de startvraag in beeld te brengen op een klein tekenpapier (A6-formaat). Ze kunnen er eventueel een toelichting bij schrijven. Hang alle kenmerken bij elkaar op het prikbord of de leerwand.

Introductie

Laat de leerlingen eerst de startvragen individueel, op papier beantwoorden.

  • Noem twee dingen die belangrijk zijn in jouw leven.

Inventariseer de antwoorden op het bord, maak een verzameling van alles wat de leerlingen belangrijk vinden in hun leven. Schrijf deze verzameling op als een woordweb rondom de tekst ‘belangrijk in mijn leven’.

Gespreksregels

Leid het filosoferen in en benoem de gespreksregels in de kring.

Filosofische vragen

Filosofeer aan de hand van (enkele van) de onderstaande vragen:

  • Hoe weet je wat belangrijk voor je is? Waar merk je dat aan?
  • Kunnen anderen voor jou bepalen wat belangrijk is? Wie doen dat? Ben je het er altijd mee eens?
  • Kan iets voor jou belangrijk zijn, maar voor een ander niet? Hoe kan dat?
  • Hoe kan het dat mensen verschillende dingen belangrijk vinden?
  • Is het mogelijk om rekening houden met iets wat voor jou onbelangrijk is? Op welke manier? Of: waarom niet?
  • Bestaan er dingen die belangrijk zijn voor iedereen (een gezamenlijk of algemeen belang)?
    Welke zijn dat bijvoorbeeld?
Afsluiting en verwerking

Sluit het gesprek af met een korte samenvatting.

Ter verwerking kunnen de leerlingen individueel een mindmap of woordweb maken van de belangrijke dingen in hun leven, zodat ze er meer kunnen noemen dan in de startopdracht. Geef de mindmaps een plek op een leerwand of prikbord in het lokaal. Zo leren de leerlingen elkaar en elkaars belangen beter kennen.