\

Voorbereiding

Bekijk ter voorbereiding op deze les de aflevering van Het Klokhuis over Spinoza.

Introductie

Introduceer de les aan de hand van de volgende tekst:

Baruch Spinoza leefde van 1632 tot 1677. Hij was een belangrijke Nederlandse filosoof, die werd geboren in Amsterdam. Zijn familie kwam uit oorspronkelijk uit Portugal. Ze hoorden bij het Joodse volk en geloof. Spinoza moest zich daarom houden van aan de regels en ideeën van dit geloof, zoals iedereen in zijn omgeving deed.
Maar daar dacht Spinoza anders over. En hij dacht het niet alleen, hij vertelde ook hoe hij erover dacht. Dat was in zijn tijd ongebruikelijk. Iedereen hoorde te denken en te leven zoals de kerk of synagoge voorschreef. Zelf nadenken was niet de bedoeling. Spinoza werd gestraft: hij werd uitgelachen, vervolgd en door de kerk en zelfs zijn eigen familie buitengesloten. Spinoza pleitte voor de vrijheid om te denken en te geloven wat je wilt, maar ook de vrijheid om dat te vertellen (vrijheid van meningsuiting). Hij moedigde aan te durven denken: vragen stellen, onderzoeken en je eigen antwoorden vinden.

Startvragen

Laat de leerlingen individueel (op papier) of in tweetallen, de volgende startvragen beantwoorden.

  • Stel jij weleens vragen over dingen die anderen heel vanzelfsprekend of normaal vinden?
    Kun je een voorbeeld geven?
  • Stel jij weleens vragen over regels of afspraken die vast lijken te staan?
    Kun je een voorbeeld geven?

Inventariseer de antwoorden.

Gespreksregels

Leid het filosoferen in en benoem de gespreksregels in de kring.

Filosoferen

Denk samen na aan de hand van (enkele van) de volgende vragen.

  • Voel jij je vrij om te denken en te vragen wat je wilt?
  • Waar komen jouw gedachten vandaan?
  • Bepaal je altijd zelf wat je denkt, of heeft iets of iemand daar invloed op?
  • Is er moed voor nodig om anders te denken dan anderen, zoals je vrienden of familie? Waarom vind je dat?
  • Vind je vragen stellen ook een vorm van nadenken?
  • Zou jij van denken je beroep willen maken? Waarom (niet)?
Afsluiting en verwerking

Sluit het gesprek af met een korte samenvatting.

Ter verwerking kunnen de leerlingen in groepjes een fotoportret maken van een ‘denker in actie’. Ze bedenken daarvoor welke houdingen of gezichtsuitdrukkingen er passen bij iemand die diep nadenkt. Ze zoeken naar een enscenering: een locatie (binnen of buiten), een achtergrond, een stoel, kruk of boomstam om op te zitten. Ze leggen de scène vast met een foto. Verzamel de foto’s en presenteer ze op het digibord.

Verantwoording

NTR Het Klokhuis – uitzending Spinoza (2021).

Introductie

Lees ter introductie het prentenboek ‘Het hoofd van Marieke’ voor in de kring. Heb je het boek niet beschikbaar? Dan kun je de onderstaande alternatieve startopdracht doen.

Beschrijving van het boek ‘Het hoofd van Marieke’ door S. Goeminne

Kun jij de oren van Marieke zien? Iedereen kan ze zien. Iedereen ziet de buitenkant. Maar het hoofd van Marieke heeft ook een binnenkant, heel diep binnenin. Niemand, helemaal niemand, kan die binnenkant zien. Want die binnenkant, dat is alles wat Marieke denkt en verzint….

Begrijpend luisteren

Ga bij de groep na of de leerlingen hebben begrepen waar het boek over gaat. Stel eventueel een paar helpende vragen, zoals:

  • Kun je echt in iemands hoofd kijken, zoals in het boek over Marieke?
  • Heeft iedereen gedachten in zijn of haar hoofd?
  • Welke soorten gedachten bestaan er?
Alternatieve startopdracht

Vraag één van de leerlingen vooraan in de kring. Vraag de groep wat zij ziet aan de buitenkant van het hoofd van deze leerling. (Denk aan: oren, ogen, neus, mond, wangen, huid en haren).
Vraag de groep vervolgens wat zij denkt dat er ìn het hoofd van deze leerling zit. Dat kan bijvoorbeeld zijn: bot, de schedel, hersenen, het brein, maar ook dromen, gedachten, ideeën, herinneringen.

Bedenk samen met de groep welke soorten gedachten er bestaan en ga bij de leerling voor aan de kring na of die gedachten ook in zijn of haar hoofd zitten: blije gedachten, nare gedachten, lieve gedachten, gemene gedachten, moeilijke vragen, fantasieën, dromen en nachtmerries. Hoe zit dat bij de andere kinderen in de kring? Hebben zij ook zulke gedachten?

Gespreksregels

Leid het filosoferen in en benoem de gespreksregels in de kring.

Filosofische vragen

Denk samen na aan de hand van (enkele van) de volgende vragen.

  • Wat is denken? Wat zijn gedachten?
  • Waar zitten jouw gedachten?
  • Waar komen gedachten vandaan? Hoe komen ze in je hoofd?
  • Heb je gedachten die niemand anders heeft?
  • Heeft iedereen gedachten, denk je?
  • Hebben dieren ook gedachten? Waar denken zij aan?
Afsluiting en verwerking

Sluit het gesprek af met een korte samenvatting.

Ter verwerking kunnen de leerlingen tekenen welke gedachten zij in hun hoofd hebben, net zoals Marieke uit het verhaal. Je kunt daarvoor gebruik maken van het werkblad onder deze link.

Verantwoording

Titel: Het hoofd van Marieke
Schrijver: S. Goeminne
Uitgeverij: Infodok (Antwerpen, 2021).

Onderzoeksvraag

Wat is belangrijker: gevoel of verstand?

Startvragen
  • Wat is een gevoel of emotie?
  • Welke soorten gevoelens zijn er?

Verdiepingsvragen

  • Waarom hebben mensen gevoel?
  • Bestaan er mensen zonder gevoel?
  • Hebben dieren ook gevoelens? Hoe weet je dat?
  • Hebben planten ook gevoelens? Hoe weet je dat?
  • Zou een robot gevoel kunnen hebben? Kan gevoel gemaakt worden met techniek?
  • Kunnen gevoel en verstand samenwerken? Op welke manier? Of waarom niet?
  • Hoe zou de wereld eruit zien als mensen alleen gevoel hadden?
  • Hoe zou de wereld eruit zien als mensen alleen verstand hadden?

 

Introductie

Introduceer het onderwerp van deze les met de onderstaande tekst. 

Als we filosoferen, stellen we vragen over dingen die normaal of vanzelfsprekend lijken. Of we onderzoeken onze gedachten door er telkens opnieuw naar te kijken en telkens nieuwe vragen over te stellen. Vaak is de uitkomst van filosoferen dat er weer heel veel nieuwe vragen zijn ontstaan.
De beroemde filosoof Socrates, die leefde van 470-399 voor Christus, had dat ook in de gaten. Hij was geen filosoof die in zijn eentje zat te peinzen en boeken schreef over zijn ideeën. Hij ging juist de straat op om met mensen te praten, ze vragen te stellen en samen steeds verder te denken. Dat lijkt op de manier waarop we ook filosoferen op school. Zo ontdekten de mensen dat veel van wat ze dachten te weten, helemaal niet zo zeker was. Socrates zei daarom: “Het enige wat ik weet, is dat ik niets weet.” Socrates schepte niet op over hoe slim hij was of hoeveel kennis hij had. Hij vond juist dat er veel meer was dat hij nog niet wist of begreep. Maar daardoor bleef hij nieuwsgierig. 
Door je te beseffen dat er veel meer is wat je niet weet dan wel, blijf je vragen stellen en onderzoeken. 

Startvraag

Laat de leerlingen in tweetallen of tafelgroepjes bij wijze van start nadenken over de volgende startvraag:

  • Wat is het verschil tussen iets weten en iets denken?

Inventariseer de antwoorden die er gevonden zijn. Ga vervolgens in de kring.

Gespreksregels

Leid het filosoferen in en benoem de gespreksregels in de kring.

Filosofische vragen

  • Wat is kennis?
  • Hoe kun je iets te weten komen?
  • Wat vind jij belangrijk om te weten?
  • Als je iets weet, weet je het dan voor altijd? Waarom (niet)?
  • Kun je alles weten? Waarom (niet)?
  • Denk je (net als Socrates) dat er meer is dat je niet weet, dan wat je wel weet?
  • Heeft het zin om te leren, zoals op school, als er altijd van alles zal zijn dat je nog niet weet?
  • Wie bepaalt wat je zou moeten leren en weten? Ben je het daarmee eens?
Afsluiting en verwerking

Sluit het gesprek af met een korte samenvatting.

Introductie

Lees ter introductie het gedicht ‘In je hoofd’ van T. Olthuis uit de bundel ‘Tikken tegen de maan’. Doe dat eventueel tweemaal, zodat alle leerlingen het goed kunnen volgen.

Gespreksregels

Introduceer het filosoferen en benoem de gespreksregels in de kring.

Filosofische vragen

Denk samen na aan de hand van (enkele van) de volgende vragen:

  • Is het waar dat je in je hoofd alles kan?
  • Wat kun jij allemaal in je hoofd?
  • Welke dingen kun je in je hoofd wel, maar in het echt niet? Hoe kan dat?
  • Kun je alles denken wat je wilt? Of zijn sommige dingen te moeilijk om over na te denken?
  • Waar komen gedachten vandaan?
Afsluiting en verwerking

Sluit het gesprek af met een korte samenvatting.

Ter verwerking kunnen de leerlingen schrijven en/of tekenen naar aanleiding van het gedicht van Olthuis. Gebruik daarvoor het werkblad onder deze link.

Verantwoording

Gedicht: T. Olthuis
uit: ‘Tikken tegen de maan’ (J. van Leeuwen, red.)
Ons Erfdeel, Rekkem 2001.